Carnaval

“Mien waar is mijn feestneus gebleven?”

Het is weer Carnaval. Een feest dat het einde van de winter en het begin van de vasten voor Pasen aankondigt. Volgens de traditie duurt het feest van zondag tot dinsdagavond – de Vastenavond. Om middernacht vangt de vastentijd aan van 40 dagen tot Pasen.

De Prins en zijn Raad van Elf nemen even het gezag van de gemeente over. Plaatsnamen met name in de provincies Noord-Brabant en Limburg krijgen tijdelijk een andere naam. Maar ook hier: Amersfoort wordt tijdelijk Trekkersgat.

In de optocht wordt de gemeentelijke politiek en alles wat is mis gegaan in het afgelopen jaar in de streektaal op de hak genomen. Carnavalsvierders nemen een andere identiteit aan. Mogelijk is dit ‘omkeringsritueel’ overgenomen van de Sarurnalia – het Romeinse feest, waarbij de meesters en slaven van plaats verwisselden.

Geschiedenis

In de 14e en 15e eeuw verschijnt de blauwe scheepswagen. Dit is een schip op wielen, dat tijdens Carnaval door de stad wordt getrokken.

Vanaf de 16e eeuw probeert men Carnaval te verbieden: de protestanten, omdat het een katholiek feest zou zijn; de katholieken, omdat de uitwassen ervan niet stroken met het geloof en de lokale overheden, omdat ze bang zijn voor overlast. Maar de mensen blijven het vieren. In de 17e en 18e eeuw is dit vaak binnenshuis als Vastenavond bijeenkomsten.

Carnaval

Carnaval

Tegen de helft van de 19e eeuw waait een beschaafde manier van Carnaval vieren over vanuit Duitsland. Naar voorbeeld van Keulen (1823) wordt een carnavalsvereniging opgericht, die het Carnaval organiseert. Dit gebeurt naar een model ontleend aan het Venetiaans Carnaval. Hierbij wordt een Prins gekozen, die aan het hoofd van de Raad van Elf staat. De bekendmaking van dit college gebeurt op 11 november om elf minuten over elf. Elf is het gekken getal, het getal der zotheid. En op 11 november – Sint Maarten – begon vroeger de winterperiode. Voordeel van deze ‘moderne’ manier van Carnaval vieren is dat de chaos voortaan een georganiseerde chaos is. Hierbij doen de narren, dansmarietjes, tonpraters, de optocht met praalwagens en de groet Alaaf hun intrede.

Maar in de 19 eeuw zijn het verkleed en gemaskerd over straat lopen en het straatcarnaval nog verboden. Carnavalsvieringen vinden in danszalen en besloten bijeenkomsten plaats. Pas in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog komt de stroom van carnavalsverenigingen echt op gang.  In de jaren zestig is de grote doorbraak in het aantal carnavalisten. In deze tijd ziet de (protest)generatie in het feest een symbool van persoonlijke vrijheid en democratie.

CarnavalTegenwoordig is Carnaval een uitlaatklep waarbij iedereen gelijk is. Het verstevigt de onderlinge banden tussen de (vierende) inwoners en bevestigt de plaatselijke identiteit. Carnaval is dus een beweeglijk, veelkleurig en plaatselijk gebeuren dat ieder jaar niet onopgemerkt voorbij gaat. Een feest dat sommigen zo aantrekt, terwijl het anderen uitermate ergert.

Term

De term Carnaval duikt voor het eerst op in Italië in 965, in een passage uit een acte van Subiaco. ‘Carne levare’ als tijdsaanduiding, de dagen waarop mensen hun pacht moesten betalen. In het kerk latijn betekent ‘carne levare’ (later’ carnevale’ = vaarwel vlees) zich onthouden van vlees tijdens de vastentijd.

Maar de term kan ook van de ‘carrus navalis’ een scheepswagen, afgeleid zijn. Dit schip op wielen duikt al op in de Babylonische, Egyptische, Griekse en Romeinse geschiedenis. Ook in allerlei Indo-Europese mythen komt deze cultische scheepswagen voor, waarin een godheid zich te land verplaatste ter bevordering van de vruchtbaarheid.

De (Germaanse) term ‘carnaval’ treffen we in 1673 pas voor het eerst aan in het tijdschrift Hollandse Mercurius.

Maskers

Carnavalsmasker

Carnavalsmasker

Carnavalsmasker

Carnavalsmasker

Het meest kenmerkend is de maskerade en het het daarmee vaak gepaard gaande verkleden. De maskerade is ouder dan Carnaval, een ‘heidens’ gebruik. Maskers zijn, zoals ook tatoeëringen en gezichtsbeschilderingen, aspecten van een symbolische taal, die uitvoerders en de toeschouwers verondersteld worden te begrijpen. Door zich te verkleden kruipt de carnavalsvierder in een andere huid en kan zich anders dan anders gedragen.

In de carnavalsoptocht (‘cavalcade’) kunnen de deelnemers naar buiten treden,  zich manifesteren. Dit is het wezen van het feest van Carnaval. De overdaad aan eten en drinken grijpt terug op vruchtbaarheidgebruiken: het aanreiken van offers aan de goden of de zielen van voorouders. Dit als voorbode op een overvloedige oogst.

Wat wij nu kunnen waarnemen van Carnaval is een naklank van een veel rijkere traditie. Ieder tijdperk heeft zijn stempel op het Carnaval gedrukt. Zo is het Carnaval steeds een afspiegeling van de eigen tijdgeest; van de Oudheid via de Middeleeuwen naar het nu.

Namens de Ouderpraat,
Marjolein van Harmelen